In 'Romería' vertelt regisseur het liefdesverhaal van haar aan aids overleden ouders: 'Pijn van een hele generatie'
In dit artikel:
Carla Simón (39) keert met Romería terug naar autobiografische grond: na Summer 1993 en Alcarràs gebruikt ze opnieuw haar eigen verleden als vertrekpunt. In de film volgt het personage Marina het spoor van haar overleden vader en probeert ze het liefdesverhaal van haar ouders te reconstrueren — beiden stierven aan aids. Omdat Simón zelf nauwelijks concrete herinneringen of familieverhalen heeft, versmelt de film persoonlijke zoektocht met verbeelding.
De regisseur baseert scènes op echte momenten uit haar leven — ze ging op haar zeventiende naar Madrid om familie van haar biologische vader te ontmoeten en verkende later de Galicische plekken waar haar ouders waren geweest — maar erkent dat veel elementen fictief zijn. Simón zegt dat ze ontdekte dat ze, gezien de fragmentarische en vaak tegenstrijdige herinneringen van familieleden, het verhaal deels moest verzinnen: “Ik besefte dat ik hun verhaal moest verzinnen.” Brieven van haar moeder vormden wel een houvast; die heeft ze in de film verwerkt als een dagboekachtige stem die generaties typeert.
Romería onderzoekt hoe herinneringen functioneren: ze zijn subjectief, veranderlijk en vaak gekleurd door de vertelgende partij. Simón wilde een toon vinden die noch veroordeelt noch romantiseert, juist omdat het thema beladen is. De film plaatst die persoonlijke verkenning tegen een breder maatschappelijk beeld van Spanje na het Franco-tijdperk: een conservatief, Katholiek land dat na 1975 snel veranderde, experimenteerde en tegelijk met een heroïne‑epidemie en later veel aids‑gevallen te maken kreeg. Volgens Simón werd de crisis door schaamte en stilzwijgen weinig gedeeld, waardoor het onderwerp in de openbare herinnering nauwelijks leefde. Ze wijst erop dat aids en de manier waarop Spanje die periode heeft verwerkt een vergeten hoofdstuk vormen, ondanks medische vooruitgang en de neiging sommigen te vergelijken met covid.
Simón was verrast door hoe breed haar eerdere, persoonlijke verhalen aansloegen — na Summer 1993 kreeg ze talloze berichten van mensen die hun eigen ervaring herkenden. Met Romería wil ze die individuele rouw en collectieve vergetelheid zichtbaar maken: door imaginaire beelden te koppelen aan wat overbleef van haar ouders, creëert ze een concreet, gefilmde geschiedenis. Het resultaat is zowel een persoonlijke reconciliatie met het gemis als een aanklacht tegen het nationale taboe rond de aidscrisis. Met de film geeft zij haar ouders opnieuw gestalte — en verklaart: “Nu is het waar.”